Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘Perspectief’ Category

Badend in het zweet schrok Geert wakker. In het holst van de nacht was het, buiten reed een auto voorbij. Hij had iemand ‘neger’ horen schreeuwen. Was hij dat zelf geweest? Het was weer muisstil in zijn slaapkamer. Geert had helemaal niets met negers. Hij had wat met Marokkanen. Vanavond had hij het er nog over gehad in het lijsttrekkersdebat bij RTL. Hij had er Cohen weer fijn mee op de kast gekregen. Al zijn energie was gericht geweest op het besmeuren van die apothekersbediende van de grachtengordel. Die draaiorgelman zoals hij hem wel eens laatdunkend noemde. Het was hem goed gelukt. Cohen was aan het einde van het verhaal verdwenen onder een mengsel van modder, stront en varkenspis. Bij wijze van spreken dan.
 
In ieder geval was het voor de kijkers duidelijk geweest. Job was nog niet klaar voor de tak van sport die raspolitiek is. Hij had wat geschermd met bestuurlijke logica, maar ver was hij er niet mee gekomen. Hij had zelfs een keer moeten zeggen dat-ie het niet wist. ‘Dat heb ik niet paraat’ waren zijn woorden geweest. Frits Wester had hem prima geholpen in de 1-on-1’s door zijn vele onderbrekingen niet af te straffen. Frits had het debat op kinderachtige wijze geleid. Eerst had hij koorknaap Balkenende de bel laten rinkelen waarna de dienst kon beginnen. Hij begon met het langzaam inbrengen van een veer in de reet van Jan Peter. Een veer van twijfelachtige pluimage dan wel te verstaan. Of hij ook niet genoegen zou nemen met de positie van don, als hij niet capo di tutti capi zou mogen worden. JP had hem direct een granieten muur voor de neus gesteld. Een muur waar niemand naar taalt om te gaan beklimmen. Teleurgesteld had Frits Cohen een beetje links laten liggen. Vervolgens had hij Mark Rutte aangevallen en hem bijna op zijn bek gekregen met de simpele vraag of Kroes nou kandidaat was of hij. Rutte versprak zich en had zich eruit geluld. Nee maar ja, was het antwoord geweest.
 
Toen was het de beurt aan Geert geweest. Hij was verwelkomd met een kopje thee bij wijze van spreken. Hij had de kans gekregen om Job te vertellen dat hij hem een aardige man vond. Dat was op een of andere vreemde manier een therapeutische ervaring voor hem geweest. Hij had iets voelen resoneren, ergens diep in zijn donder. Desondanks was het een klassiek geval geweest van de strikte scheiding tussen politesse en politiek. Kerk en staat. Hij was goed van start gegaan door Cohen direct aan te vallen met een goed gevulde strontemmer. Heel even had hij nog overwogen om Cohen wat inhoudelijke vragen te stellen. Stiekem was hij toch wel benieuwd naar die inhoud. Toch deed hij het niet. Het zou de kiezer alleen maar vermoeien. Bovendien was er het gevaar dat Cohen inhoudelijke wedervragen zou gaan stellen. Dat zou hem in verlegenheid kunnen brengen. Retoriek was een veiliger wapen. Retoriek behoeft geen antwoord. Antwoorden zouden alleen maar leiden tot een warrig verhaal. Dat is wat je krijgt als je een politicus vragen stelt die alleen in mensentaal zijn te beantwoorden.
 
Geert nam een slokje water uit het glas naast hem op het nachtkastje. Hij had weinig zin om weer te gaan slapen. Slaap was ook eigenlijk niets voor hem. Hij vond mensen die sliepen verachterlijk. Verzakers, die slapen. Hij niet. Nouja, zo weinig mogelijk in ieder geval. Als hij sliep dan droomde hij. En dat waren geen fijne dromen. Hij werd geteisterd door nachtmerries. Nachtmerries over zwarte bandieten in de nacht, komend vanuit een ijskoude bedoeïenenwoestijn. Zijn gedachten gingen weer terug naar het debat. In zijn eerste confrontatie had hij Cohen nog geadviseerd op te houden met zijn politieke reïncarnatie van Ella Vogelaar. Bijna had Cohen hem terug kunnen slaan maar gelukkig had Frits voorkomen dat hij zijn punt afmaakte. Geert had hem lachend gelijk gegeven toen hij zei dat hij nooit mensen mocht veroordelen om hun geloof. Cohen had het applaus gezaaid en Geert had het geoogst. Ook Balkenende was over hem gestruikeld. Hij had hem zelfs kunnen dwingen om antwoord te geven op de stompzinnige vraag of hij toe zou staan dat er meer moskeeën dan kerken zouden komen.
 
En toen was de slotinteractie gekomen. Cohen had hem uitgedaagd en Geert was op hem in gaan hakken met cijfers over immigranten. Hij had hem met slappe, rotte groente besmeurd. Hij had asielzoekers geassocieerd met bloemkolen en voetballen. Cohen was volledig de weg kwijtgeraakt en hij had lachend toegekeken. Keer op keer had hij hem voor het blok gesteld en onderbroken. Toen Cohen hem toeschreeuwde dat de rechtsstaat bij hem niet in goed handen was, wist hij dat hij gewonnen had. Hij was begonnen over straatterrorisme en had de daad bij het woord gevoegd. Terwijl Cohen nog kookte van woede, liep hij alweer terug naar zijn katheder. Even had hij er nog over in gezeten dat Job hem misschien ter verantwoording zou roepen. Hij worstelde nog met het idee van leiderschap. Leiders lopen immers niet weg. Maar zijn twijfels verdwenen toen hij Cohen de varkenspis uit zijn haren zag vegen. Het droop langs zijn wimpers op zijn veel te strakke maatpak. Tevreden begon Geert alweer een beetje in slaap te vallen. De nacht zou nog lang zijn. Veel te lang.

Read Full Post »

Geert Wilders in NRC Next

Geert Wilders in NRC Next

Met zijn hoofd in zijn handen zat Geert Wilders aan zijn bureau. Voor hem lag de NRC Next. Hij zag zichzelf, maar dan met een tintje en kroeshaar. De neger van Venlo. Hij had het bericht eerder al over internet zien zwerven. Het ging over pesterijen in zijn schooltijd. Leugens natuurlijk, maar daar was hij wel aan gewend. Om de een of andere reden werden er weinig waarheden over hem verteld. Waarschijnlijk was dat de tol die elke charismatische leider moest betalen. Vaak lagen de leugens voor de hand, maar die neger van Venlo had hij niet zien aankomen. Toen het op internet verscheen, dacht hij nog dat het zou overwaaien als hij zich stil hield. Een reactie was precies waar ze op zaten te wachten, dus die kregen ze niet. Maar nu was het zelfs doorgedrongen tot de NRC. Wat moest hij daar nu weer mee?

Geert las kranten met tegenzin. De media werden geregeerd door wat hij ‘de linkse elite’ noemde. Ja, er waren wel wat rechtse journalisten, maar die hadden helaas niet vooraan gestaan toen de hersencellen werden uitgedeeld. Ze waren niet in staat om een verhaal geloofwaardig te brengen. Daar hadden niet alleen rechtse journalisten last van trouwens. Verstand en rechts gedachtegoed leken moeilijk samen te gaan. Ook de PVV had moeite om goede geestverwanten te vinden. Hij had nu al drie kandidaten van de PVV-lijst moeten schrappen omdat ze niet helemaal koosjer waren. En ook Hero Brinkman maakte hem weer het leven zuur. Waarom hadden die klootzakken niet van tevoren verteld welke ze geheimen ze met zich meedroegen? Dat had hem veel gedoe bespaard. Nu moest hij steeds weer dingen recht lullen die eigenlijk niet goed te praten waren. Hij was de laatste tijd alleen maar bezig met brandjes blussen. Voor echt campagnevoeren was geen tijd. Ook het verkiezingsdebat op Radio 1 moest hij laten schieten. Zonde natuurlijk.

Hij keek nog eens naar de foto in de krant. Hij zag er eigenlijk helemaal niet verkeerd uit met kroeshaar. Die grijze haartjes erin gaven hem zelfs een zekere gedistingeerdheid. Ergens kon Geert wel lachen om dat hele neger-van-Venlo-verhaal. De bedenker ervan had, waarschijnlijk onbedoeld, een gevoelige snaar geraakt. Er was een periode geweest waarin hij een neger wilde zijn. Korte tijd was hij er zelfs van overtuigd dat hij daadwerkelijk een neger was en per ongeluk was geboren in het lichaam van een blanke man. Het was tijdens de opkomst van de rapmuziek, begin jaren tachtig. Hij luisterde de hele dag naar rapgroepen als Run DMC en The Fatboys, liep rond op Adidas-schoenen zonder veters en droeg een zware gouden schakelketting om zijn nek. Een keer deed hij zelfs als rapper mee aan een talentenjacht. Samen met zijn broer en een neef bracht hij het nummer ‘It’s Like That’ van Run DMC ten gehore. Geert glimlachte bij de herinnering. Zijn broer Paul was toen al een serieuze vent, maar toch had hij hem zo ver gekregen om die grote bril van DMC op te zetten.

Jammer eigenlijk dat hij Paul nooit meer zag. Ze hadden veel lol vroeger, ondanks hun uiteenlopende karakters. Paul was wat meer geremd, maar Geert wist precies hoe hij hem moest bespelen. Misschien kon de neger van Venlo hen weer dichter bij elkaar brengen. Na het negerincident had Paul het voor Geert opgenomen. Op zijn website schreef hij dat het niet netjes was om zo op de man te spelen. Dat had Geert best aangegrepen. Zijn broer gaf dus nog steeds om hem, ondanks het feit dat hun politieke ideeën onverenigbaar waren. Misschien moest hij gewoon eens bij hem langsgaan om de draad weer op te pakken. Als aardigheidje kon hij die nieuwe versie van ‘It’s Like That’ meenemen. Dat zou Paul wel kunnen waarderen. Zelf was Geert altijd bij de old school rap gebleven, maar zijn broer hield wel van het experiment. Op muziekgebied dan.

De PVV-leider sloeg zijn krant dicht, pakte een zonnebril uit de bureaula en ging voor de spiegel staan. “Disillusion is the word”, schreeuwde hij, “that is used by me when I’m not heard. I just go through life with my glasses blurred. It’s like that, and that’s the way it is. Huh!” Geert grijnsde van oor tot oor. Hij was er weer klaar voor. De neger van Venlo krijg je niet zomaar klein.

De broertjes Wilders als Run DMC

De broertjes Wilders als Run DMC. Geert (links) als Run, Paul (met bril) als DMC

Read Full Post »

Bolkestoned

Met rooddoorlopen ogen keek hij uit over de Amstel. De zon kwam op en zette de stad in brand. In zijn oren voelde hij lichtjes zijn versnelde hartslag. Vaag zag hij zijn weerspiegeling in het grote raam van de woonkamer. Hij keek in de ogen van een lijkbleek wrak. Frits draaide zich om, beende naar de bar die de woonkamer scheidde van de keuken en schonk zichzelf een royaal glas Jack Daniels in. Op de achtergrond zong Lou Reed dat-ie een lekkere dag achter de rug had. Daar stond zijn laptop, naast de overvolle asbak. Het verhaal was af. Hij hoefde het alleen nog maar te versturen. En als de politieke jakhalzen hun messen slepen om hem ermee aan repen te snijden, dan zou hij slapen. Ze zouden hem weten te vinden, maar niet vandaag. Morgen, morgen zou hij fier overeind staan. En strak van de PCP zou hij de eerste steken niet eens voelen. Niemand zou hem kunnen raken. Hij was van gewapend beton. Tevreden klikte hij op de verzendknop en zette het glas glimlachend aan zijn lippen.

Hij dacht aan de talloze grammetjes die hij samen met Els had weggewerkt, destijds op het Barlaeus. Onschuldige grammetjes. ‘Groene grammetjes’ zoals ze het altijd noemden. Ze waren de bron geweest voor menig jeugdige fantasie. Hij had tegen haar opgekeken. Ze zat een klas hoger dan hij. Intellectueel was ze oneindig ver van hem verwijderd. Zo voelde het in ieder geval. Daarom liet hij zich gemakkelijk meevoeren. Ook met het inhaleren van psychedelische dampen. Hij had zich nooit dichter bij haar gevoeld, alsof het de leeftijdskloof versmalde. Als ze echt knetterstoned was kroop ze dicht tegen hem aan en dan leek het net of hij een klein zusje had. Op die momenten lag het universum aan zijn voeten. En het gebeurde allemaal in een tijd dat wiet – en zeker kwalitatief goede wiet – moeilijk te scoren was. Dat bijzondere gevoel, die tijdsgeest om het zo maar te noemen, was hem altijd bijgebleven. Ook nu, nu hij op de piek van zijn fix bijna niets meer voelde.

Hij had gedurende de nacht bijna een liter whiskey weggetankt en het voelde alsof hij niets dan water had gedronken. Hij kon zich niet meer herinneren wanneer hij uit bed was gestapt maar hij voelde zich niet moe. Verveeld stak hij een Camel tussen de lippen en plofte neer in zijn tv-stoel. Het levensgrote plasmascherm lichtte op en het gezicht van Al Pacino verscheen. Juist op het moment dat hij zijn gezicht begroef in die enorme berg cocaïne op zijn pompeuze bureau. Wat een toeval. Frits trok wild aan zijn sigaret en genoot. Dit was wat hij ook wilde. Zo’n einde. Toch deed het hem pijn om Tony laf in de rug geschoten te zien worden. Hij wendde zijn gezicht af van het scherm en stond weer op. Dat zou hem niet gebeuren. Hij zou de drugs tot in alle hoeken en gaten van zijn land door laten dringen. En anders dan Tony zou hij het allemaal volgens de letter van de wet gedaan krijgen. Daar had zijn maat Theo wel voor gezorgd. Waterdicht. Mocht blijken dat hij toch niet het eeuwige leven had, dan zou hij een staatsbegrafenis krijgen. Opgetekend worden in de canon van Nederland, dat zou hij.

Dat er niemand meer tijdens de dienst in slaap zal vallen, daar zou hij voor zorgen. Oplettende burgers zouden weer de straten bewandelen. De creatieve output van zijn land zou toenemen. Nederland zou op cultureel gebied weer iets gaan betekenen. De grenzen van het bewustzijn zouden door Nederlanders opgetekend gaan worden. Niet meer door slappe figuren die zich al in een ver verleden schoorvoetend gedistantieerd hadden van de drugcultuur. Nooit meer slappe gedoogsmoesjes naar de internationale buitenwacht. Als je kwaliteit zoekt dan moet je bij ons zijn: dat zou de boodschap worden aan de wereld. Hij haalde zijn neus op voor de standpunten van de moraliserende Scandinaviërs met hun sprookjes over wietverslaving. Of dan die gefrustreerde Amerikanen die allemaal weten dat het Witte Huis niet het enige witte is in Washington.

Het brandde allemaal op het puntje van zijn bewustzijn. Het was nu allemaal binnen bereik. Hij begon iets te voelen van vermoeidheid. De laatste fix begon weg te ebben. Hij moest maar eens naar bed. De dag was sowieso niet zijn ding. Misschien dat hij in de namiddag weer acte de presence zou geven. Kijken wat de reacties waren op zijn frontale aanval. Eerst nog een glas Jack en dan kijken of hij het slapen nog niet was verleerd. Geen droom zou kunnen overtreffen wat zijn wakende geest nu had doorkruist. Hij voelde zich dichter bij God dan ooit. Sterker nog: hij was God. En God vond het goed zo.

Read Full Post »

Jack de Vries hurkte boven het gat in de grond. Hij wist niet dat zoiets bestond in Nederland. Op campings in Frankrijk had hij die hurk-wc’s vaak gezien, maar hij had ze kunnen vermijden. Hij papte altijd aan met de campingeigenaar zodat hij bij hem naar de wc kon. Jack vond het mensonwaardig om hurkend te schijten. Honden doen dat. Mensen niet. Maar hier op de Frederikkazerne was geen andere plee. Hij moest wel, hij kon het niet de hele nacht ophouden. Jack sloeg zijn armen om zijn knieën en probeerde zich te ontspannen. Poepen ging niet vanzelf de laatste tijd. Dat gedoe over Melissa bezorgde hem stress. En dat leidde bij hem altijd direct tot fysieke klachten. Dan ging er van alles vastzitten.

Hij sloot zijn ogen en luisterde naar het getik van een leiding verderop in het gebouw. Het deed hem denken aan marcherende soldaten. Toen hij nog voorlichter was bij de landmacht vond hij het geweldig om daarnaar te kijken. Het gaf hem een vrij gevoel. Zij moesten zich in het gareel houden, terwijl hij lekker in zijn kantoortje persberichten zat te tikken. Zogenaamd dan. Eigenlijk was hij het grootste deel van de tijd aan het mailen met redactiesecretaresses van toonaangevende media. Dat was zijn talent: aanpappen met mensen die goede dingen voor je konden doen. Hij had die typmiepjes helemaal onder de duim.

Jack was niet altijd een womanizer geweest. Op school zagen de meisjes hem niet staan. Alle aandacht ging naar zijn klasgenoot Rob. Die kon alle meisjes krijgen die hij wilde. Jack probeerde Rob zo goed mogelijk na te doen om ook een graantje te kunnen meepikken, maar het lukte hem niet. Ja, één keer kreeg hij een valentijnskaart. Maar die kwam van een lelijk meisje dat twee klassen lager zat. Toen Jack op zijn twintigste nog steeds maagd was, besloot hij daarom lid te worden van het CDA. Daar was het niveau van de versiertrucs niet zo hoog. Bovendien hadden veel CDA-vrouwen een zorgvuldig weggestopt libido dat op springen stond. Jack voelde zich geroepen om dat te bevrijden. Aanvankelijk moest hij zijn meerdere nog erkennen in Ruud Lubbers, maar toen die een stapje terug moest doen wegens een billenknijpincident was de weg vrij voor Jack. Gouden tijden waren het: overdag slaagde hij erin het stoffige gedachtegoed van het CDA aan de man te brengen, ’s nachts neukte hij alles wat los en vast zat.

Aan zijn zegetocht kwam echter een abrupt einde toen zijn avonturen met Melissa op straat kwamen te liggen. Ineens werd zijn reputatie als ‘coming man’ in een nieuw daglicht geplaatst. Jack hoefde niet lang na te denken om te weten aan wie hij dat had te danken. De media wezen al snel in de richting van andere politieke partijen. Die zouden het schandaal naar buiten hebben gebracht om de CDA-campagne te schaden. Maar hij wist wel beter. Het was zijn oude rivaal Lubbers. Die sluwe vos was weer op krachten gekomen en was klaar voor een tweede ronde. Jack grijnsde bij de gedachte. Ergens gunde hij het de oude meester wel.

Kut, hij was het wc-papier vergeten. Hij had op de kazerne een hele vleugel tot zijn beschikking, maar op geen enkele plee hing wc-papier. Wel was er een kraantje met een plastic emmertje eronder. Na enig aarzelen liet hij het vollopen. Met korte, snelle bewegingen sloeg hij het water tussen zijn bilnaad. Was dit de bedoeling? Hij had het niet durven vragen. Dat soort dingen vraag je niet. Hij stond op, trok zijn broek omhoog en voelde zijn onderbroek nat worden. Eigenlijk vond hij het wel best dat zijn escapades naar buiten waren gekomen. Jarenlang had de CDA-top hem gechanteerd met zijn geheimen. Jack kon Jan-Peter niet meer luchten of zien, maar werd gedwongen zich voor hem te blijven inzetten. Nu was hij daar eindelijk van verlost. Eindelijk kon hij weer doen wat hij wilde.

Hij dacht erover om de overstap te maken naar de PvdA. Daar zaten nog veel oude hippies. Die konden zijn levensstijl vast wel waarderen. En hij had een brochure aangevraagd van Club Med, een aanbieder van exclusieve vakanties waarover hij had gelezen in de boeken van Michel Houellebecq. Club Med had eigen campings waarop iedereen het met iedereen deed, zonder enige reserves of schaamte. Dat was precies wat hij nodig had om zijn gedachten weer op orde te krijgen. Als ze daar nu maar wel een normale wc hadden…

Read Full Post »

De man die zijn auto overneemt is zenuwachtig. Hij bijt iedere drie tellen op zijn lip en zijn hand trilt als hij de sleutels aanpakt van de met een 2.7 liter turbodieselmotor uitgeruste Audi A4 Avant S-line. Ze hadden op zijn verzoek afgesproken op een parkeerplaats bij het Nieuwe Meer in Amsterdam. De man is reaguurder van het eerste uur, vertrouwt hij Ambroos toe. Hij heeft geen bericht gemist, nooit. En hij heeft alle commentaren op alle artikelen gelezen. Er gaat niets aan hem voorbij. De man praat maar door, terwijl Ambroos zijn blik richt op de grijze wolken. Hij weet heel goed hoe hij kan doen alsof hij luistert, dat heeft hij de afgelopen jaren wel geleerd. Hij luistert, dat wel, maar naar zijn eigen gedachten…

Internetonderzoeksjournalist, zo noemde hij zich aan het begin van zijn carrière. Een nobel beroep. De onderzoeksjournalist was, meer dan wie ook, de waakhond van de democratie. En met de verplaatsing van het publieke domein van pleinen, zeepkisten en parlementen naar het wereldwijde web, was ook behoefte ontstaan aan een nieuw soort onderzoeksjournalistiek. Na een opleiding in Utrecht, die meer hoorde bij het verleden dan bij de toekomst, startte Ambroos (‘Broosje’ voor zijn vriendinnetje van weleer) als leerling-journalist bij een oude meester in het vak. Al snel had hij zich de fijne kneepjes van de onderzoeksjournalistiek eigen gemaakt. Zelf voegde hij daar nog wat moderne middelen aan toe, zoals de whois-functie van de domeinnaamregistratiedienst. Scoop na scoop volgde. Hij voelde dat hij klaar was voor het echte werk. Het was tijd voor vernieuwing.

Samen met zijn vriend Dominique zette hij Geenstijl.nl op, een site waarmee hij zijn ideeën over internetonderzoeksjournalistiek zonder voorbehoud ten uitvoer kon brengen. Het waren mooie dagen: hij haalde de juweeltjes van het web naar boven. De nieuwtjes die de kranten niet wisten te vinden of liever verzwegen omdat ze zo hun belangen hadden. Als Prof. Hoxha stelde hij paal en perk aan de waanzin van machthebbers. Hij bracht het echte nieuws, het soort waar de mensen daadwerkelijk nieuwsgierig naar zijn. Of in ieder geval zouden moeten zijn. Okay, zijn berichten werden misschien wat minder gelezen dan die van zijn collega’s, maar die schreven dan ook van die makkelijk scorende topics. Schandpaaljournalistiek noemde hij het wel eens. Het niveauverschil tussen hem en de rest van de redactie was te vergelijken met het onderscheid tussen de Telegraaf en de NRC: de eerste heeft meer lezers, maar de tweede heeft lezers die er echt toe doen.

Het echte probleem vormden de reaguurders. En helaas was dat een probleem dat steeds groter werd. Voor hen was Geenstijl.nl een lifestyle. Eentje van een niveau waar zelfs de Telegraaf zich nog voor zou schamen. De berichten van zijn collega’s kregen talloze reacties. Schreeuwerige, inhoudsloze reacties. Er werd ook wel wat gereageerd op de Prof. Hoxha-berichten, maar dan vooral op die waarvoor Ambroos zich stiekem een beetje schaamde. De wereld werd steeds platter, ontdekte hij, alsof Galileo Galilei nooit had bestaan. En die waakhond van de democratie die hij nieuw leven had willen inblazen, bleek een laffe pitbull van het soort dat peutermeisjes doormidden bijt. Geenstijl.nl had niets meer te maken met de grote ambities die hij eens koesterde. Toen de Telegraaf een bak geld bood om de site in te lijven, hoefde hij daarom niet lang na te denken. Hij ging direct overstag. Hij en Dominique moesten nog wel een tijdje in dienst blijven, maar daarna waren ze vrij om te gaan en staan waar ze wilden. Dominique had zijn exit sneller kunnen maken. Die dartelde nu al vrolijk rond in de televisiewereld. Maar ook Ambroos’ contractueel met de Telegraaf overeengekomen jaren waren inmiddels verstreken.

De reaguurder slaat het portier van de Audi dicht en rijdt weg. Eindelijk is Ambroos verlost van die proletenbak die hij alleen maar reed omdat dat van hem werd verwacht. Die sukkel had er zelfs een persoonlijke lening voor afgesloten! Dadelijk reist Ambroos met het Volkswagenbusje van zijn vader naar Zuid-Europa om nog onontdekte strandjes te verkennen, een beetje te frisbeeën en heel misschien zelfs op een surfboard te stappen. Hij zal weer jong zijn. Hij zal opnieuw de wereld ontdekken. Dat uitzichtloze sarcasme dat de onderbuik regeert, zal hij uit zijn leven bannen. Eindelijk! Hij lacht. Voor het eerst in zeven jaar lacht hij zo luid dat het schatert. Hij loopt naar een geparkeerde auto en vraagt de man achter het stuur of hij mag instappen. Hij heeft een lift nodig.

Read Full Post »

De dodenherdenking op de Dam heeft de gemoederen flink verhit. Een verwarde man – bijnaam: ‘De Rabbijn’ – zou de veroorzaker zijn van het tumult waarbij zo’n zestig slachtoffers vielen. Wordt er nu wederom een jood vervolgd of is er hier sprake van een ariër (‘een blanke niet-Jood’ zoals dat heet in het Groene Boekje) in vermomming? En wie was die vent met die bom? Een reconstructie.

Luidruchtig zuigt de Babbelaar zijn zesde halve liter Brouwmeester-bier weg, zittend op de kade van de Oudezijds. De lente wil maar niet inzetten en het is nog steeds koud. Niet dat hij een groot probleem heeft met de kou. Hij heeft de afgelopen winter talloze nachten onder nul doorstaan. Bovendien heeft hij zich dik aangekleed. Met al die kleding heeft hij iets van een Chassidische jood terwijl hij helemaal niet joods is. Hij kan zich wel vinden in het jodendom. Hij voelt zich ook continu achternagezeten, vervolgd. Gelukkig heb ik nog een joint, denkt hij. Dan ben ik straks lekker rozig tijdens de zonsondergang aan de Amstel. Hij doet een krachteloze poging om het lege bierblikje in zijn hand te verfrommelen en laat een natte boer waarvan de helft blijft hangen in zijn toch al groezelige baard. “Godverdomme”, prevelt hij, “wat is het leven toch mooi.” Zijn hand gaat op zoek naar de aansteker die hij ergens in een zak moet hebben gestopt. Met een beweging die getuigt van een hoge mate van automatisme plant hij de joint tussen zijn lippen en steekt hem aan. Nerveus trekt hij de rook naar binnen. Hij voelt nog even niks. Hij neemt nog een trekje, en nog een. Naast hem gaat een toerist staan pissen in de gracht. Alsof hij er niet is.

Op een gegeven moment voelt hij geen rook meer en ruikt alleen de geur van verbrand papier. “Opperdepop!”, schreeuwt hij ineens, ook voor hemzelf geheel onverwacht. Even denkt hij aan Kees, één van de zwervers die hij wel eens tegenkomt bij het Leger des Heils. Die heeft een of andere tic. Begint-ie zomaar rare dingen te roepen, zonder aanleiding. Laatst kwam-ie binnenlopen en schreeuwde keihard “Sieg Heil!” terwijl hij de Hitlergroet bracht. Zou hij zelf ook zoiets hebben? Een wolk van roodkleurige gedachten drijft even door zijn hoofd. Nee, hij is niet gek, niet zoals Kees. De wereld is gek. En Kees is ook van de wereld. Hij grinnikt bij die associatie. Ik ben geniaal, denkt hij bij zichzelf. Het komt er alleen nog niet uit, maar er is nog tijd. De Babbelaar leunt achterover. Het voelt alsof hij in een zachte bioscoopstoel zit. Alsof het leven zich afspeelt op een afstand. Lekker.

Hij staat op en loopt richting de Dam. Als hij niet al te lang blijft hangen dan haalt hij zonsondergang makkelijk. Eerst naar het Spui via de Kalverstraat – misschien nog even aanwippen in de Handboogstraat voor een nieuw jointje en kijken of er een biertje te regelen valt bij De Zwart. Daar zitten altijd van die vage figuren die hem wel eens een muze genoemd hebben; die zeggen dat ze hem inspirerend in het leven vinden staan. Een warme plek. “Hee!”, roept een fietser die hem ternauwernood weet te ontwijken terwijl hij met een rotvaart voorbijzeilt. “Zwerflul!”, roept hij achterom. De Babbelaar is het gewend om onheus bejegend te worden. Hij gromt een keer en schiet een rochel achter de fietser aan. Terwijl hij zijn tocht voortzet voelt hij ineens iets trillen bij zijn heup. Uit zijn rechterjaszak graait hij een mobieltje tevoorschijn. Ja, hij moet het de mensen vaak uitleggen: ook daklozen hebben een mobiel tegenwoordig. Wat wil je, zonder vaste aansluiting? Het is Arie, die lul moest hij nog hebben. Hij krijgt nog tien euro van hem. “Hee Arie!” Hij loopt de Dam op, er staat een mensenmassa in stilte voor zich uit te kijken. Hij wurmt zich tussen de mensen door en wordt boos aangekeken. “Wat nou fiets, je hebt toch helemaal geen fiets?”, vervolgt hij zijn gesprek. Arie altijd met zijn verhalen. Wat doen al die mensen hier toch? “Arie, even iets heel anders. Hoe zit het met dat geld, die tien euro. Tien euro! Ik krijg nog tien euro van je!”

Prompt wordt de verbinding verbroken. Terwijl hij naar zijn mobieltje staart, tikt iemand hem op de schouder. “Sst”, hoort hij achter zich. De Babbelaar verandert in de brulboei. Als hij ergens niet tegen kan, dan zijn het wel mensen die zeggen dat hij stil moet zijn. Hij begint hard te schreeuwen. Het komt uit zijn tenen. Een gevoel van bevrijding maakt zich van hem meester. Dan ziet hij ineens gekke Keessie staan, links van hem. Keessie geeft hem een knipoog en begint ook te schreeuwen: “Bom! Bom! Vlucht!” De Babbelaar snapt er niets meer van. Om hem heen gaat er een golf van paniek door de menigte. Mensen beginnen te rennen, ze duwen elkaar omver om weg te komen. Hij wordt tegen de grond gesmeten. Als hij weer overeind probeert te komen wordt hij ineens vanachter vastgegrepen door twee mannen en achteruit weggesleept. Hij hoort gillende mensen en het geluid van omvallende dranghekken. Gekke Keessie ziet hij nergens meer. Wat een dag, denkt hij bij zichzelf. Hij verbaast zich over het feit dat hij geniet van de ongewilde aandacht. Er staan nu wel vijf agenten om hem heen die hem tegen de grond drukken. Even heeft hij het gevoel dat hij in de schijnwerpers staat. Het effect van de joint lijkt uitgewerkt. Zal ik het nog halen naar de Dampkring, vraagt hij zich af. Er stonden mooie dingen te gebeuren.

Read Full Post »

Rob Oudkerk liep door de stad met een portie bami. De woede die hij eerder die avond had gevoeld bij de opnames van De Wereld Draait Door was volledig weggevloeid. Op straat kwam hij tot rust. Hij vond het heerlijk om ’s avonds over de grachten te dwalen. Dit was zijn Amsterdam, de stad waar hij zo veel om gaf. Het deed hem dan ook pijn om te zien hoe Amsterdam de laatste jaren was afgegleden. Van de meest vooruitstrevende stad van Europa was het verworden tot een soort Staphorst. Op straat moest je op je woorden letten, de hoeren werden verjaagd van de wallen en homo’s werden in elkaar geslagen. En dan vonden mensen het gek dat hij burgemeester wilde worden. Moest hij dan toekijken hoe zijn stad naar de klote ging? Nee, hij moest redden wat er te redden viel. Amsterdam moest weer Amsterdam worden.

Oudkerk besloot dat het nog geen tijd was om naar huis te gaan. Bij een snackbar vroeg hij om plastic bestek en hij ging op een bankje zitten. Het was een mooie, zwoele avond. Eindelijk was de lente doorgebroken. Aan de overkant stond een meisje op de tram te wachten. Ze leunde nochalant tegen een paal en wiegde haar leren handtasje heen en weer. Ze droeg een korte spijkerrok en een knalgeel topje dat eigenlijk te klein was voor haar. Haar borsten bolden er bovenuit. Het deed hem denken aan de Theemsweg. Daar stonden de vrouwen ook bij een soort tramhaltes. Daaronder konden ze schuilen als het regende. Oudkerk was inmiddels helemaal met zichzelf in het reine over zijn verleden als hoerenloper. De mensen om hem heen helaas nog niet. Dat wil zeggen: de mensen in zijn directe omgeving wel, maar de moraalridders van het land niet. Columnisten, tv-presentatoren en zogenaamd onafhankelijke journalisten: hij had er een broertje dood aan. Nog steeds probeerden ze hem een schuldgevoel aan te praten. Hypocriete lafaards waren het.

Maar als hij burgemeester van Amsterdam wilde worden, moest hij ook die mediamannetjes aan zijn zijde hebben. Daarom hing hij tegenwoordig een verhaal op over een metamorfose. “Ik ben een ander mens geworden”, zei Oudkerk dan. Het kostte hem steeds weer moeite om dat op een geloofwaardige manier uit zijn strot te krijgen. Een ander mens? Klinkklare onzin. Je kunt misschien je leven anders inrichten, dingen niet meer doen, maar je blijft gewoon dezelfde. Hij had trouwens geen enkel probleem met wie hij was. Hij verkondigde nu wel dat het een duistere periode in zijn leven was, maar in werkelijkheid ging hij met zijn volle bewustzijn naar de Theemsweg. Hij was altijd al gefascineerd geweest door de zelfkant van het leven. Daarnaast vond hij dat een politicus moet weten wat er speelt in de samenleving. Natuurlijk was hij daarin niet de enige. Maar anders dan zijn collega’s voegde hij ook echt de daad bij het woord. Veel politici maakten zich er gemakkelijk vanaf door eens in het kwartaal een rondje door Slotervaart of de Haagse Schilderswijk te lopen. Het liefst met camera’s erbij, zodat iedereen kon zien dat zij zich ook interesseerden voor de lagere klassen. Maar zo zat Oudkerk niet in elkaar. Als hij zich ergens in wilde verdiepen, ging hij er helemaal voor. Dan ging hij niet iets vanaf een afstandje observeren. Nee, dan wilde hij het beleven. Hij was ervan overtuigd dat je alleen op die manier tot de kern kon doordringen.

Ja, misschien had hij zich wat te veel laten meeslepen door zijn avonturen op de Theemsweg. Misschien had hij de controle over zichzelf inderdaad wel verloren. Maar was dat erg? You play with matches, you get burned. Het is een illusie te denken dat je je kunt verdiepen in de onderkant van de samenleving zonder dat je erdoor wordt geraakt. Alleen mensen zonder hart kunnen dat. Mensen die om vijf uur uitklokken en hun werk dan achter zich kunnen laten. Oudkerk kon dat niet. Daarvoor had hij te veel passie voor zijn werk. Het socialisme stroomde door zijn aderen, zat in elke cel van zijn lichaam. Als hij het over een betere samenleving had, dan waren dat niet zomaar woorden. Hij verlangde er met heel zijn wezen naar. En hij ging tot het uiterste om dat doel te bereiken.

De tram kwam met veel gerinkel tot stilstand en het meisje stapte in. Oudkerk volgde haar tot ze ging zitten. Even leek ze naar hem te kijken. Hij glimlachte maar kreeg geen reactie. Toen zette de tram zich weer in beweging. Ja, hij had zijn excuses aangeboden, maar niet van harte. Het was een toneelstukje. Achteraf gezien was hij eigenlijk de Tiger Woods van de politiek. Je verontschuldigingen aanbieden om de zaak te sussen, terwijl je eigenlijk weet dat je niets verkeerd hebt gedaan. De wereld was gewoon nog niet klaar voor mannen als hij. Mannen die hun hart durven te volgen en geen schaamte kennen. Dat was jammer, maar hij moest ermee leren omgaan. Zeker als hij burgemeester van Amsterdam wilde worden. Hij voelde dat het mogelijk was. Woods had inmiddels ook een succesvolle rentree gemaakt. Waarom zou hij dat niet kunnen?

Wat vooraf ging
Oudkerk aan de Amstel (1)

Read Full Post »

Vermoeid leunde Rob Oudkerk tegen de gokautomaat bij de chinees. Zijn bestelling Kung Po Ngau met Chinese importbami werd in bijtend Mandarijn de keuken ingeschreeuwd. Er kwam verrassend veel geluid uit het kleine Chineesje dat zijn bestelling had opgenomen. Ze moest op haar tenen staan om de tapkraan te openen en hem zijn wachtkamerpilsje te tappen. Hij had een zware avond achter de rug en was blij dat zijn lokale chinees zo laat nog open was. Hij had behoefte aan proteïnen. Matthijs van Nieuwkerk had hem in de Plantage aangemoedigd om alvast maar de handdoek in de ring te gooien voor het burgemeesterschap. En hij had sterke argumenten. Kobaltblauwe argumenten die in schril contrast stonden met het bloedrode vermiljoen van zijn misstap. De kleur van de deugd versus de kleur van zijn zonde. De twee uiterste kleuren van de Nederlandse vlag.

Matthijs had een punt. Hoe kan iemand die dermate moreel in opspraak is geweest in hemelsnaam in aanmerking komen voor de hoogste positie in de hoofdstad? Hij was zich te buiten gegaan aan het leven in al zijn facetten. Hij had drank, drugs en vrouwen omarmd, in woord en daad. Er was gepoogd hem te chanteren, omdat iedereen weet welke kloof gaapt tussen de regels van de politiek en die van de lust. Bijna had hij het overleefd. Even leek het erop dat zijn straf beperkt bleef tot een reprimande van burgemeester Cohen. Tot zijn bezoeken aan de Theemsweg naar boven kwamen. Dodelijk was het geweest. Zijn fractie had hem laten vallen en hij kwam in de kou te staan.

Hij keek naar het enorme aquarium die de afhaalruimte scheidde van het restaurant. Even kwamen weer de geweldsfantasiën boven die hij destijds had gekoesterd jegens Job. Scheldend had hij hem in elkaar geslagen en in het enorme aquarium gedumpt. Job had bewusteloos rondgedobberd, met zijn gezicht naar beneden. Omzwermd door een kleurig palet aan vissen. Zijn vissenogen hadden de vissen aangestaard alsof ze wilden zeggen: dat komt er nou van als je fuckt met Rob Oudkerk. Maar intussen was zijn woede voorbij. Hij had redelijk snel ingezien hoe de politiek functioneert en het geaccepteerd. De politiek gedoogt de hoeren, maar de hoeren gedogen de politiek niet. De betekenis van deze dubbele moraal had hij aan den lijve ondervonden.

Na zijn val had zich een periode van ongekende spirituele groei bij hem aangediend. Hij was niet meer dezelfde Rob als toen. Dat had hij tegen Matthijs gezegd die hem met zijn bekende spottende blik door de wenkbrauwen had aangekeken. De woorden waren er wat aarzelend uitgekomen, maar ze waren gemeend. Hij wilde weer meedoen aan het spel. Hij had het gevoel nog lang niet klaar te zijn met de politiek. Hij wilde besturen in de stad die hij zo goed begreep. Wie zou dat beter kunnen dan hij? Hij was immers het vleesgeworden Amsterdam! Natuurlijk zag hij in dat zijn kans minimaal was, maar hij wist ook als geen ander hoe de wind kan draaien in de politiek.

“Éé keer Kung Po Ngau me bami”, riep het meisje achter de bar. “Sambalbij?” Hij had wel zin in iets heets en staarde even naar de tietjes van de serveerster. Ze waren zorgvuldig gecamoufleerd door haar onberispelijke, witte unisex blouse. Maar hij wist dat ze er waren. Afblijven, dacht hij bij zichzelf en nam met een knikje zijn bestelling aan. Hij stapte naar buiten en liep door de hoerenbuurt richting huis. Een zweem van weemoed overviel hem toen hij de vrouwen weer zag, badend in het rode licht. Een cafédeur zwaaide open en André Hazes kwam hem tegemoet. Afblijven, dacht hij weer. Hij vroeg zich af of ook Job hier ooit had gelopen. ’s Nachts op straat, op zoek, dronken, stoned, een eerlijk mens. Was hij ooit een tent uitgetrapt omdat hij vrouwen lastig viel en te dronken was om op zijn poten te staan? En had hij dan ruzie geschopt met de uitsmijter? Hem verbaal geschoffeerd terwijl zijn jasje gescheurd om zijn schouders hing?

Het was zijn pad geweest en het bleek uiteindelijk een eenzaam pad. Maar was de derde nationale kleur niet wit? De kleur van vergeving? Een diep inzicht over de werkelijke aard van de Nederlander trof hem. De Nederlander die zichzelf nog niet volledig heeft gerealiseerd en vecht om aan de oppervlakte te komen. Mijn tijd komt nog wel, mijmerde hij.

Het vervolg
Oudkerk aan de Amstel (2)

Read Full Post »

Thomas roerde door de soep. Minestronesoep volgens een recept van de Italiaan om de hoek. Thomas had zich ontpopt als een ware keukenprins. Hij had plezier in koken. Hij vond het dan ook jammer dat Sharon niet warm liep voor zijn culinaire hoogstandjes. Nu lag ze ook weer op de bank met een Twix, terwijl het eten bijna klaar was.  

Hij was blij dat de campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen eindelijk losbarstte. Sharon zou weer snel verkassen naar haar appartement in het Haagse. En door haar tiende plek op de PvdA-lijst was hij ervan verzekerd dat ze daar voorlopig zou blijven. Ze hadden een goed huwelijk, maar dat kon alleen standhouden als ze elkaar niet te vaak zagen. Dat was eigenlijk altijd al zo geweest. Vanaf het eerste begin was zijn interesse in Sharon puur functioneel. Toen ze elkaar leerden kennen bij de Jonge Socialisten vond Thomas haar maar een overenthousiaste hittepetit. Maar hij voelde dat omgang met haar mogelijkheden bood.

In de tuin hupte een vogeltje rond. Een mees of een merel, hij wist het niet. Natuur deed hem niet zo veel. Thomas was meer een mensenmens. Hij wist wat mensen nodig hadden. Zo had hij ook Sharon ingepalmd. Niet alleen bij mannen gaat liefde door de maag. Vanuit de woonkamer hoorde hij het geritsel van de volgende Twix. Hij zette de afzuigkap aan om het niet te hoeven horen. Vroeger maakte hij zich nog weleens druk over haar eetgewoonten, maar daar was hij mee gestopt. Het leidde alleen maar tot ruzie. En dat kon hij niet gebruiken. Thomas had haar nodig om zijn politieke carrière op de rails te krijgen. Aanvankelijk leek dat ook te lukken. Sharon regelde een mooie functie voor hem bij ECOSY, de Europese organisatie van jonge socialisten. En daarnaast nog wat leuke nevenfuncties. Veel werk had hij er niet aan maar het gaf hem wel het nodige aanzien. Het leven lachte hem toe in die tijd. Sharon had inmiddels haar appartement in Den Haag en hij kon zijn eigen gang gaan. In Enschede wisten de dames al snel dat ‘die Thomas van Sharon’ graag de rekening betaalde en cadeautjes uitdeelde voor wat extra aandacht.
  
De ster van Sharon rees snel. Thomas begreep daar weinig van. Hij had haar nog nooit betrapt op een originele gedachte. Laat staan dat ze iets zou kunnen bijdragen aan het land. Het had er vast mee te maken dat iedereen haar een gezellige meid vond. Zelf zag hij dat niet meer. Nooit gezien eigenlijk. Ja, ze was dik, maar dat is niet hetzelfde als gezellig. Maar hij zag blijkbaar toch iets over het hoofd, want Sharon schopte het zelfs tot staatssecretaris van Onderwijs. In werkelijkheid hield dat in dat ze de secretaresse was van de secretaris-generaal, maar dat mocht de pret niet drukken. Ze typte zijn memo’s met veel plezier uit. “Kleine moeite”, riep ze dan. Op het ministerie noemden ze haar daarom ook wel staatssecretaresse of erger: juffrouw Jannie. Sharon had dat niet in de gaten, zoals ze wel meer niet in de gaten had.

Thomas haalde de pan van het vuur en liep de woonkamer in. Sharon was op de bank in slaap gevallen. Met haar chocolademond had ze strepen gemaakt op de witte Jan des Bouvrie-bank. Thomas ging aan tafel zitten, stak wat kaarsen aan en begon in stilte te eten. Als alles goed ging, zou hij nog wel vaker zo zitten. Sharon zou vermoedelijk minister van Onderwijs worden. Misschien wel vice-premier. Ook de nieuwe partijleider leek namelijk weer een groot talent te zien in Sharon. En dat bood nieuwe perspectieven. Misschien ook wel voor hem. Hij speelde met de gedachte om weer eens met Sharon mee te gaan naar het westen. Misschien herkende Job ook wel wat kwaliteiten in hem. Thomas was nog jong genoeg om onderaan te beginnen. Laatst had hij zich al goed vermaakt op het partijcongres. Daar had hij een praatje gemaakt met Mei Li Vos. Mei Li had een héél kort rokje aan. Eigenlijk had meneer Dijksma ook best meneer Vos willen zijn.

Read Full Post »

Hij slokte zijn glas Żubrówka naar binnen en bestelde direct nog een dubbele. Katyn, dacht hij bij zichzelf. Ik heb echt geen zin in dat sentimentele gedoe. Lech Kaczyński leunde losjes achterover in zijn stoel en keek uit het raam. Zijn vader had nog gevochten in de opstand van Warschau in 1944. Hij was geboren in de wijk die het langste had standgehouden. Tot enkele dagen voor de laatste Polen zich overgaven aan de Duitsers. De Russen hadden het schouwspel gevolgd vanaf de overkant van de Wisła en hadden geen poot uitgestoken. Stalin liet de Polen falen zodat hij het land later kon opeisen als grote bevrijder. Het was het zoveelste vuile spelletje van Stalin tijdens de oorlog. Het begon met Katyn en eindigde met de totale vernietiging van de hoofdstad. Geschiedkundig liepen de Polen altijd in de weg als er werd gestreden. En altijd dolven ze het onderspit. Moedige kerels waren het. Zo koud als de Pool zijn wodka dronk, zo heet was zijn bloed. Lech was hierin geen uitzondering. Net als zijn vader was hij strijdbaar, gedreven om zijn land nu eens eindelijk de toekomst te geven die het verdiende.

Het vliegtuig baande zich door dichte mist een weg naar het oosten. Kaczyński probeerde iets van vorm in de mist te ontwaren. Ze hadden het communisme van zich afgeschud, toegang gevonden tot de EU. Economisch deden ze het beter dan de landen om hen heen. Goed, er waren grote verschillen tussen het platteland en de grote steden. Warschau, het Rotterdam van het oosten, was welvarend. Een lelijke, maar bruisende stad. Een stad waar het allemaal gebeurde. Dat de boeren op het platteland geen nagel hadden om aan hun reet te krabben deed hem niet zoveel. Hij was verzekerd van hun stem omdat hij zijn politiek stevig had verankerd in het katholicisme. “Als je ze geld geeft zuipen ze het toch alleen maar op”, zei hij altijd. Lijden doet geloven. Kaczyński maakte zich dan ook geen zorgen over die religieuze armelui. Nee, het waren zijn progressieve collega’s waar hij last van had. Mensen met een opleiding, geld en een open houding jegens – wat hij altijd noemde – ‘mensen met een afwijkende seksuele aard’. Mensen die je nooit langs vijandelijke stellingen zou zien kruipen met een geweer in de aanslag. Waardeloze lui. Niet dat hij intolerant was hoor. Laatst had hij het nog  gewaagd om een joodse dienst bij te wonen. Als eerste staatshoofd! Een handreiking naar de joodse gemeenschap, waaraan streng katholiek Polen normaal een broertje dood heeft. De Joden die het wagen om hun opstand in ’43 te vergelijken met de epische strijd die zijn vader een jaar later had geleverd tegen de nazi’s.

Hij stond op het punt om weer de verkiezingsstrijd aan te gaan en verder te strijden voor zijn land. Maar eerst Katyn. Eerst even handjes schudden met dat onbetrouwbare Russische tuig. Hij kreeg het altijd een beetje benauwd als hij te dicht bij een Rus in de buurt kwam. Het waren de verhalen van zijn vader die van de Rus een beeld hadden geschapen van de onbehouwen barbaar. De onverschillige, melancholische en onberekenbare dommekracht. Eigenlijk kon hij wel begrip opbrengen voor een man als Stalin. Hij moest dat zooitje ongeregeld richting de overwinning sturen. Hoe beheers je zo’n verzameling idioten anders dan met extreme terreur? Strikt gezien zou het ook niet verkeerd zijn als een groot deel van de Poolse politieke scene tegen de muur zou worden gezet. Het zou zijn leven een stuk eenvoudiger maken.

De lieflijke stem van de purser – een lange, blonde dame met benen tot aan zijn kin – onderbrak zijn overpeinzingen. “De piloot vindt het te gevaarlijk om met deze mist te landen in Smolensk. Hij stelt voor om naar Moskou of Minsk te vliegen.” Kaczyński keek diep in de blauwe ogen van de blonde deerne. In zijn hoofd hoorde hij het ratelen van machinegeweren en de doffe knallen van panzerfaustgranaten. “Vraag de piloot dan maar of hij misschien een parachute heeft voor de president, want die is van plan bij Smolensk uit te stappen”, zei hij onbewogen. “De Russen mogen niet denken dat we angsthazen zijn.” De purser trok zenuwachtig met haar mondhoek, schikte haar rok en ging rechtop staan. “Uitstekend meneer de president, ik zal het doorgeven. Wilt u nog iets drinken?” Hij keek naar zijn lege glas. “Doe nog maar een dubbele Ż voor we aan die laffe Russische troep moeten.”

Dromerig draaide Kaczyński zich weer naar zijn raampje. Hij stelde zich voor dat hij door de mistflarden de maan zag. “Die is van mij”, fluisterde hij.

Read Full Post »

Older Posts »