Feeds:
Berichten
Reacties

Tabee!

Ja, jongens en meisjes, het zit er weer op. Wat gezegd moest worden is gezegd. De blogtandem van de verwarde man en da flipside is tot stilstand gekomen. We kunnen terugkijken op een geslaagd project. We schopten Balkenende mank, gaven Wilders een koekje van eigen deeg en stelden en passant de copy & paste cultuur aan de kaak. Gevolg is wel dat we straks waarschijnlijk zitten opgescheept met een VVD-premier, maarja, je kunt niet alles hebben. Rutte is the best of the worst, zullen we maar zeggen.
 
Ik laat jullie alleen met een verhaal dat ik ooit schreef onder het pseudoniem Tulsi Das. Het verhaal is zo’n tien jaar oud, maar nog steeds actueel. Het zet het spel met identiteiten in een nieuw perspectief. Kort gezegd: het gaat niet om de poppetjes, maar om de verhalen die ze vertellen. Veel plezier ermee.
 
Tot het volgende verhaal,

Philip 

De schrijver en zijn werk: een dialoog

“Ik heb aanleg voor de mythologie”, zei Marek van der Jagt. Hij sprak het bedachtzaam uit, alsof hij zich iets herinnerde.
“Dat is een mooi understatement, Marek”, antwoordde de schrijver glimlachend.
“Hoe bedoelt u?”
“Je hebt er niet alleen aanleg voor, je bent er zelfs deel van. Toen je zei dat men het verhaal los moet zien van de schrijver, had je het niet alleen over dat wat de schrijver schrijft. Je doelde ook op het geheel van verhalen dat om de schrijver heen hangt, geschreven of niet. Dat bedoelde ik tenminste. Jij bent deel van dat geheel, Marek. Jij bent deel van de mythe.”
 
“Ik ben veel meer dan dat”, riep Marek uit, ineens een stuk minder bedachtzaam. “Ik ben van mening dat de schrijver, of welk individu dan ook, niets meer is dan de verhalen die om hem heen hangen. Hij onttrekt zijn identiteit aan die verhalen. Zijn identiteit is uit die verhalen opgebouwd. Ik wil zelfs beweren dat het individu helemaal niet bestaat! Het individu is een illusie. Daar waar wij een individu waarnemen, is slechts sprake van een bepaalde concentratie van verhalen, een punt waar verhalen met een zekere gemeenschappelijkheid omheen draaien. Het gevolg daarvan is dat u niet realistischer bent dan ik. U maakt net zo goed deel uit van mijn mythe als ik van die van u! Ik heb mijn eigen verhalen en daarom een eigen bestaansrecht!
 
De schrijver glimlachte weer. Van der Jagt deed hem denken aan de tijd dat hij zelf nog jong was en zo veel woorden nodig had om iets duidelijk te maken. “Bravo, Marek”, riep hij. “Je hebt zojuist gerechtvaardigd dat ik nog steeds volhoud dat jij en ik niet dezelfde persoon zijn. Ik ben net zo min Marek van der Jagt als dat ik Robert G. Mehlman ben. Mijn dank daarvoor.”
 
“En dat is ook de reden waarom de nadruk zo op het verhaal moest worden gelegd”, ging Marek verder met een bezeten blik in zijn ogen. “Je wist dat de uitspraak ‘Het gaat niet om de schrijver, maar om zijn werk’ een, op het eerste gezicht, averechts effect zou hebben: nog nooit is er rond een literatuurprijs zo veel aandacht besteed aan de schrijver en zo weinig aandacht aan zijn boek. Als je het vanuit het verhaal in bredere zin bekijkt, zie je echter dat die uitspraak niet alleen een ideaalbeeld weergeeft, maar tevens bijdraagt aan de verwezenlijking van dat ideaal. Want het ‘werk’ omspant niet slechts het boek, maar de gehele invloedssfeer van verhalen die ermee te maken hebben. Je hebt Nederland voor je karretje gespannen. De mythe heeft zichzelf geschreven!”
 
“Je moet ze uitzuigen, Marek”, zei de schrijver tevreden. “Uitzuigen en doodmaken, want dat is belangrijk.” Dat laatste ging echter verloren in een rumoer van stemmen dat om hen heen was opgezwollen. De schrijver legde zijn pen naast zich neer en liet het gebeuren.

Badend in het zweet schrok Geert wakker. In het holst van de nacht was het, buiten reed een auto voorbij. Hij had iemand ‘neger’ horen schreeuwen. Was hij dat zelf geweest? Het was weer muisstil in zijn slaapkamer. Geert had helemaal niets met negers. Hij had wat met Marokkanen. Vanavond had hij het er nog over gehad in het lijsttrekkersdebat bij RTL. Hij had er Cohen weer fijn mee op de kast gekregen. Al zijn energie was gericht geweest op het besmeuren van die apothekersbediende van de grachtengordel. Die draaiorgelman zoals hij hem wel eens laatdunkend noemde. Het was hem goed gelukt. Cohen was aan het einde van het verhaal verdwenen onder een mengsel van modder, stront en varkenspis. Bij wijze van spreken dan.
 
In ieder geval was het voor de kijkers duidelijk geweest. Job was nog niet klaar voor de tak van sport die raspolitiek is. Hij had wat geschermd met bestuurlijke logica, maar ver was hij er niet mee gekomen. Hij had zelfs een keer moeten zeggen dat-ie het niet wist. ‘Dat heb ik niet paraat’ waren zijn woorden geweest. Frits Wester had hem prima geholpen in de 1-on-1’s door zijn vele onderbrekingen niet af te straffen. Frits had het debat op kinderachtige wijze geleid. Eerst had hij koorknaap Balkenende de bel laten rinkelen waarna de dienst kon beginnen. Hij begon met het langzaam inbrengen van een veer in de reet van Jan Peter. Een veer van twijfelachtige pluimage dan wel te verstaan. Of hij ook niet genoegen zou nemen met de positie van don, als hij niet capo di tutti capi zou mogen worden. JP had hem direct een granieten muur voor de neus gesteld. Een muur waar niemand naar taalt om te gaan beklimmen. Teleurgesteld had Frits Cohen een beetje links laten liggen. Vervolgens had hij Mark Rutte aangevallen en hem bijna op zijn bek gekregen met de simpele vraag of Kroes nou kandidaat was of hij. Rutte versprak zich en had zich eruit geluld. Nee maar ja, was het antwoord geweest.
 
Toen was het de beurt aan Geert geweest. Hij was verwelkomd met een kopje thee bij wijze van spreken. Hij had de kans gekregen om Job te vertellen dat hij hem een aardige man vond. Dat was op een of andere vreemde manier een therapeutische ervaring voor hem geweest. Hij had iets voelen resoneren, ergens diep in zijn donder. Desondanks was het een klassiek geval geweest van de strikte scheiding tussen politesse en politiek. Kerk en staat. Hij was goed van start gegaan door Cohen direct aan te vallen met een goed gevulde strontemmer. Heel even had hij nog overwogen om Cohen wat inhoudelijke vragen te stellen. Stiekem was hij toch wel benieuwd naar die inhoud. Toch deed hij het niet. Het zou de kiezer alleen maar vermoeien. Bovendien was er het gevaar dat Cohen inhoudelijke wedervragen zou gaan stellen. Dat zou hem in verlegenheid kunnen brengen. Retoriek was een veiliger wapen. Retoriek behoeft geen antwoord. Antwoorden zouden alleen maar leiden tot een warrig verhaal. Dat is wat je krijgt als je een politicus vragen stelt die alleen in mensentaal zijn te beantwoorden.
 
Geert nam een slokje water uit het glas naast hem op het nachtkastje. Hij had weinig zin om weer te gaan slapen. Slaap was ook eigenlijk niets voor hem. Hij vond mensen die sliepen verachterlijk. Verzakers, die slapen. Hij niet. Nouja, zo weinig mogelijk in ieder geval. Als hij sliep dan droomde hij. En dat waren geen fijne dromen. Hij werd geteisterd door nachtmerries. Nachtmerries over zwarte bandieten in de nacht, komend vanuit een ijskoude bedoeïenenwoestijn. Zijn gedachten gingen weer terug naar het debat. In zijn eerste confrontatie had hij Cohen nog geadviseerd op te houden met zijn politieke reïncarnatie van Ella Vogelaar. Bijna had Cohen hem terug kunnen slaan maar gelukkig had Frits voorkomen dat hij zijn punt afmaakte. Geert had hem lachend gelijk gegeven toen hij zei dat hij nooit mensen mocht veroordelen om hun geloof. Cohen had het applaus gezaaid en Geert had het geoogst. Ook Balkenende was over hem gestruikeld. Hij had hem zelfs kunnen dwingen om antwoord te geven op de stompzinnige vraag of hij toe zou staan dat er meer moskeeën dan kerken zouden komen.
 
En toen was de slotinteractie gekomen. Cohen had hem uitgedaagd en Geert was op hem in gaan hakken met cijfers over immigranten. Hij had hem met slappe, rotte groente besmeurd. Hij had asielzoekers geassocieerd met bloemkolen en voetballen. Cohen was volledig de weg kwijtgeraakt en hij had lachend toegekeken. Keer op keer had hij hem voor het blok gesteld en onderbroken. Toen Cohen hem toeschreeuwde dat de rechtsstaat bij hem niet in goed handen was, wist hij dat hij gewonnen had. Hij was begonnen over straatterrorisme en had de daad bij het woord gevoegd. Terwijl Cohen nog kookte van woede, liep hij alweer terug naar zijn katheder. Even had hij er nog over in gezeten dat Job hem misschien ter verantwoording zou roepen. Hij worstelde nog met het idee van leiderschap. Leiders lopen immers niet weg. Maar zijn twijfels verdwenen toen hij Cohen de varkenspis uit zijn haren zag vegen. Het droop langs zijn wimpers op zijn veel te strakke maatpak. Tevreden begon Geert alweer een beetje in slaap te vallen. De nacht zou nog lang zijn. Veel te lang.

Hij neemt een slok koffie uit een grote, dampende mok. Het is zijn lievelingsmok, de letters ‘LPF’ zijn dan wel bijna weggesleten door de vele avonturen in de vaatwasser, maar iedere keer dat hij het oortje vastpakt, de geurende koffie naar zijn gezicht beweegt en er een bijna verlegen slokje uit neemt, voelt hij weer die bekende, altijd bevredigende trots over hem komen: a job well done. De mok was hem geschonken in een periode dat hij excelleerde. Als blaadjesmaker bij Defensie maakte hij de overstap naar de LPF, de partij van Pim Fortuyn. Die bijzonder vreemde man met die warrige homofiele gedachten had een politieke partij opgericht. Op zich was dat niet zo erg, zo leek een democratie inderdaad een democratie. Maar deze kale kwast haalde vreemde strapatsen uit. Hij wilde de Joint Strike Fighter uit Nederland weren. Meer precies: hij wilde dat Nederland geen miljarden naar de Verenigde Staten overmaakte voor de uitgeklede versie van een tweederangs product. Maar die miljarden, die waren belangrijk. Dat geld kon niet zomaar verdwijnen, het was al ingeboekt als een zekerheidje. En dat zekerheidje, dat was hij, Mat Herben.

Dus de machinerie werd in gang gezet en hij speelde zijn rol met verve. Niet alleen loodste het Bureau hem soepel de LPF binnen, hij werd ook in pole position geplaatst voor het vervolg. Iedereen in Nederland scheen nogal verbaasd te zijn dat een Defensieburger als hij zich ook op zo’n groot podium staande kon houden. Dat amuseerde hem toentertijd heel erg. Geen van die domme kaaskoppen had ook maar iets in de gaten. Hoe groter het bedrog, hoe kleiner de kans dat je betrapt wordt, hadden ze hem op de training al geleerd.

Hij onderhield nu websites met complottheorieën. Ook hier zat een gedachte achter: plant bomen met leugens rondom de Boom der Waarheid en iedereen ziet alleen nog maar een leugenachtig bos. Zo verbloemde je de dingen (Mat hield ervan een beeldspraak vast te houden). Hijzelf stond bijvoorbeeld te boek als een vliegtuigspotter en zou daarom zo graag de JSF voor Nederland willen behouden. Nou, prima, laat ze dat maar lekker denken. Tegelijkertijd wist niemand dat híj degene was die (onder pseudoniem uiteraard) in zijn vrije tijd het script voor Wag The Dog had geschreven. Mensen zien de kleine dingen, nooit de grote. Ze willen zo graag geloven, je kunt ze ieder verhaal vertellen en nooit, maar dan ook nooit, doorprikken ze de illusie.

Mat zet de koffiemok weer neer en slaat de krantenpagina om. De verkiezingen komen er weer aan, die Jan-Peter deed het uitstekend: laat die kabinetten maar omvallen. Hoe meer aandacht er naar die gekke lijsttrekkers uitging, hoe minder het gevoerde beleid onder de loep werd genomen. Zo kon je heel ver gaan met wat je erdoor drukte. Daar wist hij alles van. Hij neemt opnieuw een slok koffie, spert dan zijn ogen open en springt overeind als de hete koffie het verkeerde keelgat in schiet: de PvdA wil stoppen met de JSF! Die Cohen, die zich te goed voelde voor de Vrijmetselaars en zich liever bij de theemaffia aansloot, wilde van de JSF een breekpunt maken in de verkiezingen! Gotverdegotgloeiendekoffiedommedinges! Dit zet de hele boel weer op zijn kop!

Inderdaad, daar gaat de telefoon al. Dat zal het Bureau zijn. Hoe zal hij het ditmaal gaan aanpakken? Volkert zit nog altijd vast, dus die kan het niet doen. Wie dan? Misschien toch Jan Smit eens inzetten? Die komt zonder problemen in de buurt van Cohen… Hij pakt de mok op, loopt naar de telefoon en neemt op.

Geert Wilders in NRC Next

Geert Wilders in NRC Next

Met zijn hoofd in zijn handen zat Geert Wilders aan zijn bureau. Voor hem lag de NRC Next. Hij zag zichzelf, maar dan met een tintje en kroeshaar. De neger van Venlo. Hij had het bericht eerder al over internet zien zwerven. Het ging over pesterijen in zijn schooltijd. Leugens natuurlijk, maar daar was hij wel aan gewend. Om de een of andere reden werden er weinig waarheden over hem verteld. Waarschijnlijk was dat de tol die elke charismatische leider moest betalen. Vaak lagen de leugens voor de hand, maar die neger van Venlo had hij niet zien aankomen. Toen het op internet verscheen, dacht hij nog dat het zou overwaaien als hij zich stil hield. Een reactie was precies waar ze op zaten te wachten, dus die kregen ze niet. Maar nu was het zelfs doorgedrongen tot de NRC. Wat moest hij daar nu weer mee?

Geert las kranten met tegenzin. De media werden geregeerd door wat hij ‘de linkse elite’ noemde. Ja, er waren wel wat rechtse journalisten, maar die hadden helaas niet vooraan gestaan toen de hersencellen werden uitgedeeld. Ze waren niet in staat om een verhaal geloofwaardig te brengen. Daar hadden niet alleen rechtse journalisten last van trouwens. Verstand en rechts gedachtegoed leken moeilijk samen te gaan. Ook de PVV had moeite om goede geestverwanten te vinden. Hij had nu al drie kandidaten van de PVV-lijst moeten schrappen omdat ze niet helemaal koosjer waren. En ook Hero Brinkman maakte hem weer het leven zuur. Waarom hadden die klootzakken niet van tevoren verteld welke ze geheimen ze met zich meedroegen? Dat had hem veel gedoe bespaard. Nu moest hij steeds weer dingen recht lullen die eigenlijk niet goed te praten waren. Hij was de laatste tijd alleen maar bezig met brandjes blussen. Voor echt campagnevoeren was geen tijd. Ook het verkiezingsdebat op Radio 1 moest hij laten schieten. Zonde natuurlijk.

Hij keek nog eens naar de foto in de krant. Hij zag er eigenlijk helemaal niet verkeerd uit met kroeshaar. Die grijze haartjes erin gaven hem zelfs een zekere gedistingeerdheid. Ergens kon Geert wel lachen om dat hele neger-van-Venlo-verhaal. De bedenker ervan had, waarschijnlijk onbedoeld, een gevoelige snaar geraakt. Er was een periode geweest waarin hij een neger wilde zijn. Korte tijd was hij er zelfs van overtuigd dat hij daadwerkelijk een neger was en per ongeluk was geboren in het lichaam van een blanke man. Het was tijdens de opkomst van de rapmuziek, begin jaren tachtig. Hij luisterde de hele dag naar rapgroepen als Run DMC en The Fatboys, liep rond op Adidas-schoenen zonder veters en droeg een zware gouden schakelketting om zijn nek. Een keer deed hij zelfs als rapper mee aan een talentenjacht. Samen met zijn broer en een neef bracht hij het nummer ‘It’s Like That’ van Run DMC ten gehore. Geert glimlachte bij de herinnering. Zijn broer Paul was toen al een serieuze vent, maar toch had hij hem zo ver gekregen om die grote bril van DMC op te zetten.

Jammer eigenlijk dat hij Paul nooit meer zag. Ze hadden veel lol vroeger, ondanks hun uiteenlopende karakters. Paul was wat meer geremd, maar Geert wist precies hoe hij hem moest bespelen. Misschien kon de neger van Venlo hen weer dichter bij elkaar brengen. Na het negerincident had Paul het voor Geert opgenomen. Op zijn website schreef hij dat het niet netjes was om zo op de man te spelen. Dat had Geert best aangegrepen. Zijn broer gaf dus nog steeds om hem, ondanks het feit dat hun politieke ideeën onverenigbaar waren. Misschien moest hij gewoon eens bij hem langsgaan om de draad weer op te pakken. Als aardigheidje kon hij die nieuwe versie van ‘It’s Like That’ meenemen. Dat zou Paul wel kunnen waarderen. Zelf was Geert altijd bij de old school rap gebleven, maar zijn broer hield wel van het experiment. Op muziekgebied dan.

De PVV-leider sloeg zijn krant dicht, pakte een zonnebril uit de bureaula en ging voor de spiegel staan. “Disillusion is the word”, schreeuwde hij, “that is used by me when I’m not heard. I just go through life with my glasses blurred. It’s like that, and that’s the way it is. Huh!” Geert grijnsde van oor tot oor. Hij was er weer klaar voor. De neger van Venlo krijg je niet zomaar klein.

De broertjes Wilders als Run DMC

De broertjes Wilders als Run DMC. Geert (links) als Run, Paul (met bril) als DMC

Bolkestoned

Met rooddoorlopen ogen keek hij uit over de Amstel. De zon kwam op en zette de stad in brand. In zijn oren voelde hij lichtjes zijn versnelde hartslag. Vaag zag hij zijn weerspiegeling in het grote raam van de woonkamer. Hij keek in de ogen van een lijkbleek wrak. Frits draaide zich om, beende naar de bar die de woonkamer scheidde van de keuken en schonk zichzelf een royaal glas Jack Daniels in. Op de achtergrond zong Lou Reed dat-ie een lekkere dag achter de rug had. Daar stond zijn laptop, naast de overvolle asbak. Het verhaal was af. Hij hoefde het alleen nog maar te versturen. En als de politieke jakhalzen hun messen slepen om hem ermee aan repen te snijden, dan zou hij slapen. Ze zouden hem weten te vinden, maar niet vandaag. Morgen, morgen zou hij fier overeind staan. En strak van de PCP zou hij de eerste steken niet eens voelen. Niemand zou hem kunnen raken. Hij was van gewapend beton. Tevreden klikte hij op de verzendknop en zette het glas glimlachend aan zijn lippen.

Hij dacht aan de talloze grammetjes die hij samen met Els had weggewerkt, destijds op het Barlaeus. Onschuldige grammetjes. ‘Groene grammetjes’ zoals ze het altijd noemden. Ze waren de bron geweest voor menig jeugdige fantasie. Hij had tegen haar opgekeken. Ze zat een klas hoger dan hij. Intellectueel was ze oneindig ver van hem verwijderd. Zo voelde het in ieder geval. Daarom liet hij zich gemakkelijk meevoeren. Ook met het inhaleren van psychedelische dampen. Hij had zich nooit dichter bij haar gevoeld, alsof het de leeftijdskloof versmalde. Als ze echt knetterstoned was kroop ze dicht tegen hem aan en dan leek het net of hij een klein zusje had. Op die momenten lag het universum aan zijn voeten. En het gebeurde allemaal in een tijd dat wiet – en zeker kwalitatief goede wiet – moeilijk te scoren was. Dat bijzondere gevoel, die tijdsgeest om het zo maar te noemen, was hem altijd bijgebleven. Ook nu, nu hij op de piek van zijn fix bijna niets meer voelde.

Hij had gedurende de nacht bijna een liter whiskey weggetankt en het voelde alsof hij niets dan water had gedronken. Hij kon zich niet meer herinneren wanneer hij uit bed was gestapt maar hij voelde zich niet moe. Verveeld stak hij een Camel tussen de lippen en plofte neer in zijn tv-stoel. Het levensgrote plasmascherm lichtte op en het gezicht van Al Pacino verscheen. Juist op het moment dat hij zijn gezicht begroef in die enorme berg cocaïne op zijn pompeuze bureau. Wat een toeval. Frits trok wild aan zijn sigaret en genoot. Dit was wat hij ook wilde. Zo’n einde. Toch deed het hem pijn om Tony laf in de rug geschoten te zien worden. Hij wendde zijn gezicht af van het scherm en stond weer op. Dat zou hem niet gebeuren. Hij zou de drugs tot in alle hoeken en gaten van zijn land door laten dringen. En anders dan Tony zou hij het allemaal volgens de letter van de wet gedaan krijgen. Daar had zijn maat Theo wel voor gezorgd. Waterdicht. Mocht blijken dat hij toch niet het eeuwige leven had, dan zou hij een staatsbegrafenis krijgen. Opgetekend worden in de canon van Nederland, dat zou hij.

Dat er niemand meer tijdens de dienst in slaap zal vallen, daar zou hij voor zorgen. Oplettende burgers zouden weer de straten bewandelen. De creatieve output van zijn land zou toenemen. Nederland zou op cultureel gebied weer iets gaan betekenen. De grenzen van het bewustzijn zouden door Nederlanders opgetekend gaan worden. Niet meer door slappe figuren die zich al in een ver verleden schoorvoetend gedistantieerd hadden van de drugcultuur. Nooit meer slappe gedoogsmoesjes naar de internationale buitenwacht. Als je kwaliteit zoekt dan moet je bij ons zijn: dat zou de boodschap worden aan de wereld. Hij haalde zijn neus op voor de standpunten van de moraliserende Scandinaviërs met hun sprookjes over wietverslaving. Of dan die gefrustreerde Amerikanen die allemaal weten dat het Witte Huis niet het enige witte is in Washington.

Het brandde allemaal op het puntje van zijn bewustzijn. Het was nu allemaal binnen bereik. Hij begon iets te voelen van vermoeidheid. De laatste fix begon weg te ebben. Hij moest maar eens naar bed. De dag was sowieso niet zijn ding. Misschien dat hij in de namiddag weer acte de presence zou geven. Kijken wat de reacties waren op zijn frontale aanval. Eerst nog een glas Jack en dan kijken of hij het slapen nog niet was verleerd. Geen droom zou kunnen overtreffen wat zijn wakende geest nu had doorkruist. Hij voelde zich dichter bij God dan ooit. Sterker nog: hij was God. En God vond het goed zo.

Dit opiniestuk stond een aantal dagen op Villamedia.nl. Het werd verwijderd omdat er twijfels waren over mijn identiteit. 

Journalisten moeten blijven checken

De ‘oude media’ hebben het zwaar. Ze moeten moderniseren, terwijl ze eigenlijk ook moeten bezuinigen. Als reactie gaan ze beknibbelen op datgene waar ze juist goed in zijn: journalistiek. Daardoor dreigt de meerwaarde van de oude media te verdwijnen.
 
Eind maart plaatste ik op mijn weblog De verwarde man een bericht over Geert Wilders. Ik schreef dat hij vroeger op school ‘de neger van Venlo‘ werd genoemd. Hoewel ik het bericht volledig uit mijn duim had gezogen, namen veel websites het over. Zelfs professionele media brachten het ‘nieuws’ zonder het eerst te checken. En ik had het ze nog wel makkelijk gemaakt: in het bericht noemde ik de scholen waar Wilders daadwerkelijk op had gezeten. Een belletje naar een van de scholen was voldoende geweest. Maar feiten checken is uit. Een bericht nabellen kost alleen maar tijd. En tijd kost geld, iets wat weinig media nog hebben. Ze moeten concurreren met bloggende scholieren die zonder winstoogmerk nieuws vergaren en verspreiden.

Vertel je eigen verhaal

En daar gaat het fout. Professionele media hoeven helemaal niet te concurreren met amateurbloggers. Vroeger hoefden kranten ook niet te wedijveren met Henk en Ingrid die elkaar de sterkste verhalen vertelden in de buurtkroeg. In het café hoorde je geruchten, in de krant las je hoe het werkelijk zat. Zo duidelijk was het. En zo duidelijk kan het ook nu nog zijn als de media zich niet spiegelen aan de bloggende massa. Natuurlijk lees je wel eens nieuwswaardige berichten op een blog, maar neem die dan niet klakkeloos over. Gebruik ze als input voor je eigen verhaal. En belangrijker: zorg ervoor dat de feiten die je presenteert zijn bevestigd door verschillende betrouwbare bronnen.

Meningenmoe

Momenteel is de journalistiek steeds meer aan het vervloeien met de blogosfeer. Volgens recent onderzoek zien steeds meer bloggers zichzelf als journalist. En steeds meer journalisten gaan bloggen of twitteren. Het gevolg is dat nieuws steeds minder nieuws wordt en steeds meer mening. En daar hebben we nu juist geen gebrek aan. Iedereen heeft een mening en in veel gevallen lijkt die mening sterk op die van een ander. Ik voorspel daarom dat de lezer meningenmoe gaat worden. Dat grote interactieve massagesprek via blogs, comments en twitter is nu nog wel leuk. Maar uiteindelijk wil de lezer weten hoe het zit. En dan kun je als ‘oud medium’ het verschil maken.

Nog niet te laat

Het is nog niet te laat om de ingeslagen weg om te buigen. De statistieken van mijn weblog De verwarde man piekten pas echt toen het bericht over de neger van Venlo werd overgenomen door AD.nl. Als het op de website van een landelijke krant staat moet het wel waar zijn, moeten veel lezers hebben gedacht. Binnen enkele uren werd er namelijk vanaf een groot aantal sites naar mijn blog verwezen. Inmiddels staat de teller voor ‘de neger van venlo’ op ruim 3000 hits in Google. Lezers hechten dus nog wel meer waarde aan nieuws dat wordt gebracht door een gerenommeerd medium. Dat vertrouwen zal echter snel afnemen als professionele media meegaan in de copy & paste cultuur van de blogosfeer. Dan is de website van een landelijke krant niet meer te onderscheiden van een amateurblog. Willen de ‘oude media’ blijven bestaan, dan moeten ze dus doen waar ze goed in zijn: nieuws maken en feiten checken. Laat die meningen maar over aan anderen.

Philip Stekelenburg

Jack de Vries hurkte boven het gat in de grond. Hij wist niet dat zoiets bestond in Nederland. Op campings in Frankrijk had hij die hurk-wc’s vaak gezien, maar hij had ze kunnen vermijden. Hij papte altijd aan met de campingeigenaar zodat hij bij hem naar de wc kon. Jack vond het mensonwaardig om hurkend te schijten. Honden doen dat. Mensen niet. Maar hier op de Frederikkazerne was geen andere plee. Hij moest wel, hij kon het niet de hele nacht ophouden. Jack sloeg zijn armen om zijn knieën en probeerde zich te ontspannen. Poepen ging niet vanzelf de laatste tijd. Dat gedoe over Melissa bezorgde hem stress. En dat leidde bij hem altijd direct tot fysieke klachten. Dan ging er van alles vastzitten.

Hij sloot zijn ogen en luisterde naar het getik van een leiding verderop in het gebouw. Het deed hem denken aan marcherende soldaten. Toen hij nog voorlichter was bij de landmacht vond hij het geweldig om daarnaar te kijken. Het gaf hem een vrij gevoel. Zij moesten zich in het gareel houden, terwijl hij lekker in zijn kantoortje persberichten zat te tikken. Zogenaamd dan. Eigenlijk was hij het grootste deel van de tijd aan het mailen met redactiesecretaresses van toonaangevende media. Dat was zijn talent: aanpappen met mensen die goede dingen voor je konden doen. Hij had die typmiepjes helemaal onder de duim.

Jack was niet altijd een womanizer geweest. Op school zagen de meisjes hem niet staan. Alle aandacht ging naar zijn klasgenoot Rob. Die kon alle meisjes krijgen die hij wilde. Jack probeerde Rob zo goed mogelijk na te doen om ook een graantje te kunnen meepikken, maar het lukte hem niet. Ja, één keer kreeg hij een valentijnskaart. Maar die kwam van een lelijk meisje dat twee klassen lager zat. Toen Jack op zijn twintigste nog steeds maagd was, besloot hij daarom lid te worden van het CDA. Daar was het niveau van de versiertrucs niet zo hoog. Bovendien hadden veel CDA-vrouwen een zorgvuldig weggestopt libido dat op springen stond. Jack voelde zich geroepen om dat te bevrijden. Aanvankelijk moest hij zijn meerdere nog erkennen in Ruud Lubbers, maar toen die een stapje terug moest doen wegens een billenknijpincident was de weg vrij voor Jack. Gouden tijden waren het: overdag slaagde hij erin het stoffige gedachtegoed van het CDA aan de man te brengen, ’s nachts neukte hij alles wat los en vast zat.

Aan zijn zegetocht kwam echter een abrupt einde toen zijn avonturen met Melissa op straat kwamen te liggen. Ineens werd zijn reputatie als ‘coming man’ in een nieuw daglicht geplaatst. Jack hoefde niet lang na te denken om te weten aan wie hij dat had te danken. De media wezen al snel in de richting van andere politieke partijen. Die zouden het schandaal naar buiten hebben gebracht om de CDA-campagne te schaden. Maar hij wist wel beter. Het was zijn oude rivaal Lubbers. Die sluwe vos was weer op krachten gekomen en was klaar voor een tweede ronde. Jack grijnsde bij de gedachte. Ergens gunde hij het de oude meester wel.

Kut, hij was het wc-papier vergeten. Hij had op de kazerne een hele vleugel tot zijn beschikking, maar op geen enkele plee hing wc-papier. Wel was er een kraantje met een plastic emmertje eronder. Na enig aarzelen liet hij het vollopen. Met korte, snelle bewegingen sloeg hij het water tussen zijn bilnaad. Was dit de bedoeling? Hij had het niet durven vragen. Dat soort dingen vraag je niet. Hij stond op, trok zijn broek omhoog en voelde zijn onderbroek nat worden. Eigenlijk vond hij het wel best dat zijn escapades naar buiten waren gekomen. Jarenlang had de CDA-top hem gechanteerd met zijn geheimen. Jack kon Jan-Peter niet meer luchten of zien, maar werd gedwongen zich voor hem te blijven inzetten. Nu was hij daar eindelijk van verlost. Eindelijk kon hij weer doen wat hij wilde.

Hij dacht erover om de overstap te maken naar de PvdA. Daar zaten nog veel oude hippies. Die konden zijn levensstijl vast wel waarderen. En hij had een brochure aangevraagd van Club Med, een aanbieder van exclusieve vakanties waarover hij had gelezen in de boeken van Michel Houellebecq. Club Med had eigen campings waarop iedereen het met iedereen deed, zonder enige reserves of schaamte. Dat was precies wat hij nodig had om zijn gedachten weer op orde te krijgen. Als ze daar nu maar wel een normale wc hadden…

De man die zijn auto overneemt is zenuwachtig. Hij bijt iedere drie tellen op zijn lip en zijn hand trilt als hij de sleutels aanpakt van de met een 2.7 liter turbodieselmotor uitgeruste Audi A4 Avant S-line. Ze hadden op zijn verzoek afgesproken op een parkeerplaats bij het Nieuwe Meer in Amsterdam. De man is reaguurder van het eerste uur, vertrouwt hij Ambroos toe. Hij heeft geen bericht gemist, nooit. En hij heeft alle commentaren op alle artikelen gelezen. Er gaat niets aan hem voorbij. De man praat maar door, terwijl Ambroos zijn blik richt op de grijze wolken. Hij weet heel goed hoe hij kan doen alsof hij luistert, dat heeft hij de afgelopen jaren wel geleerd. Hij luistert, dat wel, maar naar zijn eigen gedachten…

Internetonderzoeksjournalist, zo noemde hij zich aan het begin van zijn carrière. Een nobel beroep. De onderzoeksjournalist was, meer dan wie ook, de waakhond van de democratie. En met de verplaatsing van het publieke domein van pleinen, zeepkisten en parlementen naar het wereldwijde web, was ook behoefte ontstaan aan een nieuw soort onderzoeksjournalistiek. Na een opleiding in Utrecht, die meer hoorde bij het verleden dan bij de toekomst, startte Ambroos (‘Broosje’ voor zijn vriendinnetje van weleer) als leerling-journalist bij een oude meester in het vak. Al snel had hij zich de fijne kneepjes van de onderzoeksjournalistiek eigen gemaakt. Zelf voegde hij daar nog wat moderne middelen aan toe, zoals de whois-functie van de domeinnaamregistratiedienst. Scoop na scoop volgde. Hij voelde dat hij klaar was voor het echte werk. Het was tijd voor vernieuwing.

Samen met zijn vriend Dominique zette hij Geenstijl.nl op, een site waarmee hij zijn ideeën over internetonderzoeksjournalistiek zonder voorbehoud ten uitvoer kon brengen. Het waren mooie dagen: hij haalde de juweeltjes van het web naar boven. De nieuwtjes die de kranten niet wisten te vinden of liever verzwegen omdat ze zo hun belangen hadden. Als Prof. Hoxha stelde hij paal en perk aan de waanzin van machthebbers. Hij bracht het echte nieuws, het soort waar de mensen daadwerkelijk nieuwsgierig naar zijn. Of in ieder geval zouden moeten zijn. Okay, zijn berichten werden misschien wat minder gelezen dan die van zijn collega’s, maar die schreven dan ook van die makkelijk scorende topics. Schandpaaljournalistiek noemde hij het wel eens. Het niveauverschil tussen hem en de rest van de redactie was te vergelijken met het onderscheid tussen de Telegraaf en de NRC: de eerste heeft meer lezers, maar de tweede heeft lezers die er echt toe doen.

Het echte probleem vormden de reaguurders. En helaas was dat een probleem dat steeds groter werd. Voor hen was Geenstijl.nl een lifestyle. Eentje van een niveau waar zelfs de Telegraaf zich nog voor zou schamen. De berichten van zijn collega’s kregen talloze reacties. Schreeuwerige, inhoudsloze reacties. Er werd ook wel wat gereageerd op de Prof. Hoxha-berichten, maar dan vooral op die waarvoor Ambroos zich stiekem een beetje schaamde. De wereld werd steeds platter, ontdekte hij, alsof Galileo Galilei nooit had bestaan. En die waakhond van de democratie die hij nieuw leven had willen inblazen, bleek een laffe pitbull van het soort dat peutermeisjes doormidden bijt. Geenstijl.nl had niets meer te maken met de grote ambities die hij eens koesterde. Toen de Telegraaf een bak geld bood om de site in te lijven, hoefde hij daarom niet lang na te denken. Hij ging direct overstag. Hij en Dominique moesten nog wel een tijdje in dienst blijven, maar daarna waren ze vrij om te gaan en staan waar ze wilden. Dominique had zijn exit sneller kunnen maken. Die dartelde nu al vrolijk rond in de televisiewereld. Maar ook Ambroos’ contractueel met de Telegraaf overeengekomen jaren waren inmiddels verstreken.

De reaguurder slaat het portier van de Audi dicht en rijdt weg. Eindelijk is Ambroos verlost van die proletenbak die hij alleen maar reed omdat dat van hem werd verwacht. Die sukkel had er zelfs een persoonlijke lening voor afgesloten! Dadelijk reist Ambroos met het Volkswagenbusje van zijn vader naar Zuid-Europa om nog onontdekte strandjes te verkennen, een beetje te frisbeeën en heel misschien zelfs op een surfboard te stappen. Hij zal weer jong zijn. Hij zal opnieuw de wereld ontdekken. Dat uitzichtloze sarcasme dat de onderbuik regeert, zal hij uit zijn leven bannen. Eindelijk! Hij lacht. Voor het eerst in zeven jaar lacht hij zo luid dat het schatert. Hij loopt naar een geparkeerde auto en vraagt de man achter het stuur of hij mag instappen. Hij heeft een lift nodig.

Onlangs werd ik geïnterviewd door Trajectum, het magazine van de Hogeschool Utrecht. In het interview had ik mijn coming-out als schrijver van het weblog De verwarde man. Hieronder het stuk dat ik als voorpublicatie op mijn site mocht plaatsen.

Verwarde man studeert op de SvJ

Uit: Trajectum

De neger van Venlo, kent u die uitdrukking? Eind maart werd bloggend en journalistiek Nederland wakkergeschud door het bericht dat Geert Wilders vroeger op school ‘de neger van Venlo’ werd genoemd. Het nieuws, dat afkomstig was van een weblog met de naam ‘De verwarde man’, verspreidde zich als een dolle over internet. Probleem was echter dat het niet waar bleek te zijn. De scoop werd geclaimd door kinderen van een basisschool uit Gouda, die het verhaal uit hun duim hadden gezogen. Maar ook dat bleek een verzinsel. Wie zat er dan wel achter het weblog De verwarde man? Soms hoef je niet verder te kijken dan je neus lang is. De verwarde man blijkt gewoon op onze eigen school te studeren. Hij is tweedejaars Journalistiek en luistert naar de nauwelijks tot de verbeelding sprekende naam Philip Stekelenburg. We ontmoeten Philip in faculteitscafé Stef’s.

Hectische tijd achter de rug?
“Dat valt wel mee. De neger van Venlo hypte zichzelf. Ik hoefde er weinig aan te doen.”

Waarom heb je ervoor gekozen jezelf bekend te maken?
“Ik kan geen geheimen bewaren. Veel mensen om me heen weten al dat ik de verwarde man ben. Het is slechts een kwestie van tijd dat iemand zijn mond voorbijpraat. Dan doe ik het liever zelf.”

Wat wilde je bereiken met De verwarde man?
“Ik begon ermee omdat ik me irriteerde aan de berichten over verwarde mannen in de media. Iemand die zich ongebruikelijk gedraagt, wordt direct weggezet als ‘verwarde man’. Ik wilde dat soort gemakzuchtige journalistiek blootleggen. Maar uiteindelijk groeide het weblog uit tot een soort pamflet tegen de copy & paste cultuur. Dat had ik niet voorzien.”

Is Geert Wilders verward?
“Dat weet ik niet. Het is in ieder geval een opmerkelijke figuur. Hij lijkt in een andere wereld te leven. Hij ziet dingen die ik niet zie. Ik wilde weten waar zijn denkbeelden vandaan komen. Zo ontstond de neger van Venlo.”

Had je verwacht dat het bericht zo veel stof zou doen opwaaien?
“Nee, tenminste niet op de manier waarop het nu gebeurde. Ik had verwacht dat mensen vraagtekens zouden zetten bij de zuiverheid van het denken van Wilders. Nu ging het vooral over de vraag of een halve Indonees wel een neger kan worden genoemd. Volslagen idioot natuurlijk.”

Hoe komt dat denk je?
“Misschien heeft het te maken met het oppervlakkige klimaat waarin we leven. Mensen denken niet meer zelfstandig na, ze laten zich te veel leiden door anderen. De journalistiek heeft daar ook last van. Een journalist moet iets toevoegen; zijn verhaal moet nieuwe feiten geven of bestaande feiten van een andere kant belichten. Dat gebeurt nu te weinig. Veel wordt klakkeloos overgenomen van persberichten of andere media. Het gevolg is dat in alle kranten hetzelfde staat.”

Is De verwarde man een journalistiek medium?
“Ja. Ik noem het zelf journalistieke fictie. Qua stijl zweeft het ergens tussen het werk van Truman Capote en Hunter Thompson in. Journalistieke fictie is zeer geschikt om mogelijke oorzaken, scenario’s en drijfveren te onderzoeken. Op De verwarde man deed ik dat vooral in de vorm van het nieuwsbericht. Op mijn nieuwe blog (da flipside, https://daflipside.wordpress.com – red.) gebruik ik ook het korte verhaal. Dat is eigenlijk de meest pure vorm van journalistieke fictie.”

De verwarde man is al een tijdje niet actief. Ga je het weblog nog nieuw leven inblazen?
“Natuurlijk blijft het onderwerp actueel. Denk alleen maar aan die schreeuwende vent op de Dam. Maar het weblog De verwarde man heeft gedaan wat het moest doen. Ik zou in herhaling vallen als ik ermee doorging. Ik schrijf nu nog een opiniestuk over de neger van Venlo voor Villamedia, maar daarna is het voorbij. Dan ga ik me volledig richten op da flipside. Op mijn nieuwe blog pak ik het wat breder aan. Ook anderen kunnen hun ideeën erop kwijt.”

Heb je eigenlijk nog wel tijd voor je studie?
“Ja, dat gaat prima samen. Ik leer hier dingen die ik direct kan toepassen op mijn blog. En omgekeerd natuurlijk. Gelukkig ben ik niet de enige die zich inzet voor betere journalistiek. Er is dus nog hoop.”

Zie ook
Mijn opiniestuk op Villamedia

Update: mijn opiniestuk is van Villamedia gehaald wegens een identiteitscrisis. Lees het hier op da flipside.

Jodenverdenking

De dodenherdenking op de Dam heeft de gemoederen flink verhit. Een verwarde man – bijnaam: ‘De Rabbijn’ – zou de veroorzaker zijn van het tumult waarbij zo’n zestig slachtoffers vielen. Wordt er nu wederom een jood vervolgd of is er hier sprake van een ariër (‘een blanke niet-Jood’ zoals dat heet in het Groene Boekje) in vermomming? En wie was die vent met die bom? Een reconstructie.

Luidruchtig zuigt de Babbelaar zijn zesde halve liter Brouwmeester-bier weg, zittend op de kade van de Oudezijds. De lente wil maar niet inzetten en het is nog steeds koud. Niet dat hij een groot probleem heeft met de kou. Hij heeft de afgelopen winter talloze nachten onder nul doorstaan. Bovendien heeft hij zich dik aangekleed. Met al die kleding heeft hij iets van een Chassidische jood terwijl hij helemaal niet joods is. Hij kan zich wel vinden in het jodendom. Hij voelt zich ook continu achternagezeten, vervolgd. Gelukkig heb ik nog een joint, denkt hij. Dan ben ik straks lekker rozig tijdens de zonsondergang aan de Amstel. Hij doet een krachteloze poging om het lege bierblikje in zijn hand te verfrommelen en laat een natte boer waarvan de helft blijft hangen in zijn toch al groezelige baard. “Godverdomme”, prevelt hij, “wat is het leven toch mooi.” Zijn hand gaat op zoek naar de aansteker die hij ergens in een zak moet hebben gestopt. Met een beweging die getuigt van een hoge mate van automatisme plant hij de joint tussen zijn lippen en steekt hem aan. Nerveus trekt hij de rook naar binnen. Hij voelt nog even niks. Hij neemt nog een trekje, en nog een. Naast hem gaat een toerist staan pissen in de gracht. Alsof hij er niet is.

Op een gegeven moment voelt hij geen rook meer en ruikt alleen de geur van verbrand papier. “Opperdepop!”, schreeuwt hij ineens, ook voor hemzelf geheel onverwacht. Even denkt hij aan Kees, één van de zwervers die hij wel eens tegenkomt bij het Leger des Heils. Die heeft een of andere tic. Begint-ie zomaar rare dingen te roepen, zonder aanleiding. Laatst kwam-ie binnenlopen en schreeuwde keihard “Sieg Heil!” terwijl hij de Hitlergroet bracht. Zou hij zelf ook zoiets hebben? Een wolk van roodkleurige gedachten drijft even door zijn hoofd. Nee, hij is niet gek, niet zoals Kees. De wereld is gek. En Kees is ook van de wereld. Hij grinnikt bij die associatie. Ik ben geniaal, denkt hij bij zichzelf. Het komt er alleen nog niet uit, maar er is nog tijd. De Babbelaar leunt achterover. Het voelt alsof hij in een zachte bioscoopstoel zit. Alsof het leven zich afspeelt op een afstand. Lekker.

Hij staat op en loopt richting de Dam. Als hij niet al te lang blijft hangen dan haalt hij zonsondergang makkelijk. Eerst naar het Spui via de Kalverstraat – misschien nog even aanwippen in de Handboogstraat voor een nieuw jointje en kijken of er een biertje te regelen valt bij De Zwart. Daar zitten altijd van die vage figuren die hem wel eens een muze genoemd hebben; die zeggen dat ze hem inspirerend in het leven vinden staan. Een warme plek. “Hee!”, roept een fietser die hem ternauwernood weet te ontwijken terwijl hij met een rotvaart voorbijzeilt. “Zwerflul!”, roept hij achterom. De Babbelaar is het gewend om onheus bejegend te worden. Hij gromt een keer en schiet een rochel achter de fietser aan. Terwijl hij zijn tocht voortzet voelt hij ineens iets trillen bij zijn heup. Uit zijn rechterjaszak graait hij een mobieltje tevoorschijn. Ja, hij moet het de mensen vaak uitleggen: ook daklozen hebben een mobiel tegenwoordig. Wat wil je, zonder vaste aansluiting? Het is Arie, die lul moest hij nog hebben. Hij krijgt nog tien euro van hem. “Hee Arie!” Hij loopt de Dam op, er staat een mensenmassa in stilte voor zich uit te kijken. Hij wurmt zich tussen de mensen door en wordt boos aangekeken. “Wat nou fiets, je hebt toch helemaal geen fiets?”, vervolgt hij zijn gesprek. Arie altijd met zijn verhalen. Wat doen al die mensen hier toch? “Arie, even iets heel anders. Hoe zit het met dat geld, die tien euro. Tien euro! Ik krijg nog tien euro van je!”

Prompt wordt de verbinding verbroken. Terwijl hij naar zijn mobieltje staart, tikt iemand hem op de schouder. “Sst”, hoort hij achter zich. De Babbelaar verandert in de brulboei. Als hij ergens niet tegen kan, dan zijn het wel mensen die zeggen dat hij stil moet zijn. Hij begint hard te schreeuwen. Het komt uit zijn tenen. Een gevoel van bevrijding maakt zich van hem meester. Dan ziet hij ineens gekke Keessie staan, links van hem. Keessie geeft hem een knipoog en begint ook te schreeuwen: “Bom! Bom! Vlucht!” De Babbelaar snapt er niets meer van. Om hem heen gaat er een golf van paniek door de menigte. Mensen beginnen te rennen, ze duwen elkaar omver om weg te komen. Hij wordt tegen de grond gesmeten. Als hij weer overeind probeert te komen wordt hij ineens vanachter vastgegrepen door twee mannen en achteruit weggesleept. Hij hoort gillende mensen en het geluid van omvallende dranghekken. Gekke Keessie ziet hij nergens meer. Wat een dag, denkt hij bij zichzelf. Hij verbaast zich over het feit dat hij geniet van de ongewilde aandacht. Er staan nu wel vijf agenten om hem heen die hem tegen de grond drukken. Even heeft hij het gevoel dat hij in de schijnwerpers staat. Het effect van de joint lijkt uitgewerkt. Zal ik het nog halen naar de Dampkring, vraagt hij zich af. Er stonden mooie dingen te gebeuren.